• slideshow

Informatie over de brandweer

Brandweer in Nederland

Bijna elke gemeente in Nederland heeft een eigen brandweerkorps. Er zijn 633 gemeentelijke brandweerkorpsen. In die korpsen werken ongeveer 26.000 brandweer vrijwilligers en 4.000 beroeps brandweermensen.

Beroeps-brandweer

In grotere gemeenten, zoals Amsterdam, Maastricht, Venlo maar ook in Rotterdam, is er vaak een beroeps-brandweer. Deze beroeps- brandweermensen hebben geen ander beroep. Hun beroep is brandweerman of brandweervrouw. Ze zijn steeds op de kazerne. Als er een brand is of een ongeluk, worden ze door een toeter of een bel gewaarschuwd. Ze trekken dan hun brandweerpak aan en rennen naar de brandweerauto.

Brandweer-vrijwilligers

De meeste mensen die bij de brandweer werken, zijn vrijwilligers, ook in Hoek van Holland is dit het geval. Dat betekent dat ze eigenlijk een ander beroep hebben. Ze doen het brandweerwerk erbij. Vrijwillige brandweermensen hebben altijd een pieper bij zich. Wanneer er brand is of iets anders, gaat de pieper af. De brandweermensen weten dan dat ze naar de brandweer moeten. Ze laten meteen hun gewone werk in de steek. Er zijn ook brandweerkorpsen waar beroeps brandweermensen en vrijwilligers samenwerken, zoals in Rotterdam

Regionale brandweer

Als er een ramp gebeurt, dan kan de brandweer van één gemeente het vaak niet alleen af. Denk bijvoorbeeld aan een hele grote brand. Of een heel groot ongeluk met veel slachtoffers. Of rivieren die overstromen. Andere korpsen van gemeenten in de buurt komen dan helpen. Dat hebben ze van tevoren afgesproken. Daarvoor hebben ze 39 regionale brandweren opgericht.

Bosbrandweer

In sommige gebieden in Nederland is veel bos en veel heide. Als het een tijdje niet heeft geregend, is het gevaar voor brand hier erg groot. In deze gebieden, bijvoorbeeld de Veluwe, is een bosbrandweer. De bosbrandweer houdt vanuit vliegtuigjes in de gaten of er brand is. Als er brand is, gaan ze met speciale wagens de brand blussen. Die wagens kunnen goed door het bos rijden.

Bedrijfsbrandweer

In grote bedrijven, fabrieken en ziekenhuizen is een speciale bedrijfsbrandweer. Zodra er een brand ontstaat, begint de bedrijfsbrandweer meteen met blussen. De gemeentelijke brandweer wordt gewaarschuwd. Als het nodig is, komt die helpen met blussen. De mensen van een bedrijfsbrandweer kunnen de brandweermensen van de gemeentebrandweer de weg wijzen. Ze kunnen vertellen waar het extra gevaarlijk is. 


 

De geschiedenis
Inleiding

Vandaag de dag is alles goed geregeld op het gebied van de brandweer. Is er brand, dan is de brandweer binnen enkele minuten 'ter plaatse'. Maar hoe ging dat vroeger?

Het heeft tot aan de zeventiende eeuw geduurd voordat de mensen daadwerkelijk wat tegen brand gingen doen. Dat klinkt misschien wat vreemd, maar voor de zeventiende eeuw zag men een brand slechts als 'straf van God'. Daar valt natuurlijk niets tegen te doen. Als er brand uitbrak op een afgelegen boerderij of alleenstaand huis, was de schade vrij beperkt. Rond 1300 veranderde er iets: de handel en nijverheid kwamen sterk opzetten waardoor er (kleine) steden ontstonden. De huizen werden dichter op elkaar gebouwd. Omdat in die tijd veel huizen van hout waren gemaakt, was het uitbreken van een brand bijna altijd rampzalig. De brand kon gemakkelijk overspringen van het ene huis naar het andere met als gevolg dat hele steden in brand konden staan. Dat die branden snel uitbraken is geen wonder: veel huizen hadden geen schoorsteen (een gat in het dak leek de stedelingen wel voldoende) en bedrijven als smederijen en bakkerijen (waar veel met vuur werd gewerkt) maakten hun opmars. De schouten deden hun uiterste best om de mensen schoorstenen te laten bouwen, maar van een wettelijke verplichting was nog geen sprake.

 

De brandweer vroeger

 
 

Wetgeving
Naast al deze onveilige omstandigheden, was het ook aan de mensen zelf te wijten dat er vaak brand uitbrak. Van brandpreventie had uiteraard nog niemand gehoord. In de steden, waarin materialen als hout, stro en zelfs buskruit lagen opgeslagen, namen de inwoners het niet zo nauw met de brandveiligheid. Het was niet zozeer dat ze onverschillig waren, maar het was meer onbegrip.

Eindelijk werd in 1521 een stap in de goede richting gezet. Karel V vaardigde in dat jaar een ordonnantie (dat is een soort wet) uit, waardoor het bouwen van huizen anders dan van steen verboden werd. Een stap in de goede richting dus, maar het effect was zeker niet optimaal. In de grote steden hield men zich enigszins aan die wet, maar in de kleinere steden en dorpen lapte men hem aan de laars. De voornaamste reden was geld. Het was in die tijd veel goedkoper om een huis te bouwen van hout dan met steen. Vooral havensteden of dorpen, waar de houthandel het levendigst was, werden nog gewoon houten huizen neergezet. In de steden waar wel geprobeerd werd de wet na te leven, was de controle daarop minimaal. Ook hier miste de wet zijn uitwerking behoorlijk. De branden braken dus nog volop uit. Na elke brand schrok het stadsbestuur even wakker en vaardigde meteen nieuwe regels uit. Maar ook dit zette, dankzij het gebrek aan controle, geen zoden aan de dijk.

Naast de regels die eigenlijk alleen betrekking hadden op de bouw en de beperkingen die de mensen werden opgelegd ten aanzien van de opslag van brandgevaarlijke stoffen (zoals hout, stro en buskruit), waren er ook voorschriften over hoe 'de burger' moest handelen in geval van brand en het brandweermateriaal (aantallen emmers, ladders etc.) dat per wijk aanwezig moest zijn. Van echt organiseren was geen sprake: de burger werd slechts verplicht om bij brand alarm te slaan door luidkeels 'brand!!' te roepen en 'de handen uit de mouwen te steken'. 

De benadering van de bluswerkzaamheden week ook behoorlijk af van wat de brandweer vandaag de dag doet. Aan de brand zelf (de vuurhaard) werd nauwelijks aandacht geschonken. De middelen en tactieken om het vuur te bestrijden schoten daarvoor ernstig te kort. Men lette hoofdzakelijk op het beperken van de schade en uitbereiding van de brand. De daken van de huizen in de omgeving werden afgedekt met natte zeildoeken om uitbereiding te voorkomen.

 

De brandspuit

Het blussen van een brand was een frustrerende bezigheid. Het enige wat er in die tijd aan materiaal voor handen was, waren de emmertjes. Het waren gewone houten (en eenmaal nat, loodzware) emmers. Het was al een aanzienlijke verbetering toen de houten emmertjes vervangen werden door leren emmertjes. Het waterverlies en het gewicht van de emmers namen behoorlijk af. Maar nog steeds schoot het blussen met de emmertjes niet erg op.

 

 

Op 11 juni 1614 kwam er een grote doorbraak. Het eerste octrooi (een soort bewijs voor een uitvinder dat hij alleen de bedenker is) op een brandspuit werd door de Staten Generaal verleend. Het octrooi werd aangevraagd door Pauwels Auleander. Auleander noemde zijn uitvinding een wonderspuit en had meerdere toepassingen voor de spuit verzonnen. Naast het blussen van een brand zou de spuit ook een vijandig schip kunnen uitschakelen. Het water dat van de zeilen afdroop kon de ontstekingslonten van de musketten en kanonnen nat maken. Het was wellicht een prima idee, maar een succes werd het niet. De grote steden Amsterdam en Leiden hadden weinig zin om veel geld daarvoor uit te trekken.

Na deze eerste octrooiaanvraag op de brandspuit volgden er uiteraard meer. Zo hier en daar verschilden de brandspuiten wat van elkaar, maar het basisprincipe bleef gelijk. De meeste brandspuiten uit die tijd bestonden uit een grote bak van hout of metaal, rond of rechthoekig van vorm.

 

Brandweer spuit op wagen

In de bak waren twee zuigpompcilinders geplaatst die met de hand bediend moesten worden. Die cilinders zorgden ervoor dat het water in een buis werd geperst waaraan een straalpijp (een soort waterkannonetje) was vastgemaakt. Met die straalpijp werd op het vuur gericht. De grote bak moest met emmertjes volgegooid worden met water. Op zich waren deze brandspuiten een behoorlijke verbetering ten opzichte van de 'emmertjes-methode', maar een echt effectieve manier van brand blussen kwam pas in de tijd van Jan van der Heiden.
 

Jan van der Heiden

Jan van der Heiden werd op 15 maart 1637 geboren in Gorkum. Toen hij twaalf jaar was, verhuisde hij naar Amsterdam. Daar ontwikkelde hij zich niet alleen tot kunstschilder, maar ook tot groot technicus en uitvinder.

Tot 1672 maakte men vooral gebruik van de zogenaamde 'Hautsch-spuit': een door Johann Hautsch ontworpen brandspuit. Er zaten duidelijke nadelen aan de spuit: het was een groot, log geval, waarvoor tientallen mannen nodig waren om hem te verplaatsen. Daarnaast moest de spuit zo dicht mogelijk bij de brandhaard worden geplaatst, waardoor er bij instorting van het brandende gebouw vaak slachtoffers vielen.

 

 
Dit alles irriteerde Jan van der Heiden enorm. Samen met zijn broer Nicolaes ging hij aan de slag en bracht aanzienlijke verbeteringen aan op de 'Hautsch-spuit'. Als eerste verbetering bracht hij een leren slang aan tussen de pomp en de straalpijp. Door die leren slang werd het mogelijk om het bluswater op de juiste plaats te brengen: de brandhaard. Er hoefde dus niet meer van grote afstand 'gemikt' te worden; de brand kon op een veel mobielere manier geblust worden.
Op de tweede plaats boog hij zich over de watertoevoer. De eerste spuiten moesten gevuld worden met emmertjes water, voordat er water gespoten kon worden. Omdat het aandragen van dat water meestal langer duurde dan het leegspuiten van de pomp, werkten de spuiten bijna nooit op maximale capaciteit. Jan van der Heiden maakte een grote, linnen waterzak met een slang en schraagpomp daaraan vast. De linnen waterzak kon veel dichter bij het water worden gezet. In eerste instantie werd het water met behulp van de bekende emmertjes in de waterzak gegoten, maar in een later stadium werd een hulppomp aan de waterzak bevestigd. Het water werd zo in de waterzak gepompt en doorgegeven aan de brandspuiten. Nog later werd de waterzak in zijn geheel overbodig. Aan de schraag zelf werd een hulppomp bevestigd waardoor het water direct uit de gracht gepompt kon worden. Voordat Van der Heiden deze uitvinding op de markt bracht, waren er echter al weer vijftien jaar verstreken.

Jan van der Heiden was een ook een zakelijk ingesteld man. Om zijn revolutionaire pompen aan de man te brengen, maakte hij in 1690 een soort reclameboek. In dat boek stonden 25 pentekeningen van hemzelf.
 

Brandweerspuit

 

De organisatie van de brandweer
Vroeger liet ook de organisatie van de brandweer enorm te wensen over. Zoals eerder vermeld was er voor de ordonnantie van 1521 weinig of geen regelgeving op het gebied van brandbestrijding of preventie (voorkoming). Van iedereen die zich in de buurt van een brand bevond, werd verwacht mee te werken en de mouwen op te stropen, maar meer dan dat gebeurde niet. Wel was het zo, dat bepaalde gilden (dat waren een soort vakbonden voor mensen met een zelfde beroep), meestal gilden die zwaar handwerk verrichten, de taak van het brandblussen toegeschoven kregen. Echt blij waren die mensen er niet mee. Ze zagen de taak niet als een eer, maar meer als een last.

Het was weer Jan van der Heiden, die de noodklok luidde: hij vond dat het brandweerwezen beter georganiseerd moest worden. In een brief aan het Amsterdamse stadsbestuur (1678) beklaagde hij zich over de slappe houding van de gilden. Als voorbeeld haalde hij een recent geval aan van 'gildenbroeders' die op hun gemak een borrel aan het drinken waren in een kroeg, waarvan de bovenste verdieping in brand stond. Door de gebrekkige organisatie was er grote onduidelijkheid over wie nu de pompen moest halen en op deze manier wachtten de heren op de spuit. 

Het stadsbestuur van Amsterdam nam de klachten van Jan van der Heiden erg serieus en gaf hem, en zijn broer Nicolaes, de opdracht het brandweerwezen in Amsterdam flink te reorganiseren. Als gevolg van deze reorganisatie werd in 1685 de brandkeur (verordening) behoorlijk veranderd. Op het gebied van de brandweer werd Amsterdam op dat moment zeer toonaangevend. De Amsterdamse brandweerkeur staat dan ook als model voor alle andere steden van de Verenigde Nederlanden en haar koloniale vestigingen.

Jan van der Heiden stelde twee begrippen centraal: discipline en organisatie. Door de aankoop van de nieuwe spuiten werd de drang naar een goede organisatie alleen maar groter. Er was behoefte aan vast personeel om de spuit te bedienen en niet meer afhankelijk te zijn van de 'goede burger' die een handje meehielp. Het opperbevel kwam in handen van twee generale brandmeesters en elke brandspuit kreeg twee brandmeesters als 'chef'. De brandmeesters droegen aan hun meerderen diegenen voor, die met de bediening van de spuit belast zouden worden. Je zou het niet denken, maar voor het bedienen van zo'n spuit waren veel mensen nodig: gemiddeld 36 per spuit, die elkaar om het kwartier aflossen. Het voordragen van het 'spuitpersoneel' was eigenlijk meer mensen een verplichting opleggen; er kwam een zwaar boetestelsel voor 'weigeraars' en de beloning voor het gevaarlijke werk was minimaal. Daarnaast zagen de rijke stedelingen kans om zich los te kopen. Het kwam er dus op neer dat de arme, zeg maar arbeidersklasse, de lasten van het brandblussen bijna geheel op zich nam, maar ook een kans kreeg op een bijverdienste. Deze lagere manschappen werden 'geaffecteerden' genoemd en hoefden dus niet bij de schutterij te dienen (ze hoefden niet constant op de kazerne aanwezig te zijn). In principe waren zij dus oproepkrachten.

 

 

 

  Iedere'geaffecteerde' kreeg een koperen penning, met daarop hun nummer. Bij opkomst moest deze penning afgegeven worden. Op deze manier viel te controleren wie afwezig of te laat was. Was dat het geval, dan volgde er een boete. Er werd ook het één en ander gedaan om de manschappen te motiveren. Zo had de brandmeester bijvoorbeeld een penning met een gat erin. De mensen die hun penning hadden afgegeven voordat de penning met het gat aanwezig was, kregen meer uitbetaald. Je snapt dat iedereen daardoor zo snel mogelijk aanwezig wilde zijn. Ook werden er premies uitgeloofd voor die spuiten die het eerst begonnen met spuiten. Natuurlijk een goed idee, maar in praktijk ging het wel eens mis; bepaalde groepen schrokken er niet voor terug om de spuit van andere groepen te saboteren om zo de premie in de wacht te slepen. De premies moesten worden opgebracht door degene, wiens huis door de brand getroffen werd. Daarbij werd er van uitgegaan, dat een brand nooit per ongeluk kon ontstaan, maar dat er altijd wel iemand een foutje of overtreding had begaan.  

Penning 1

Penning 2

 

De stedelijke overheden bleven op zoek naar andere vormen van organisatie. In Leiden kwam men op het idee om een weeshuis te voorzien van een brandspuit. In 1769 werd daar het besluit toe genomen. Dit hield in dat het weeshuis 5 brandmeesters kreeg toegewezen, die op hun beurt de bemanning van de brandspuit konden kiezen uit de weeskinderen. Brandmeesters van een aantal andere plaatsen waar ook spuiten waren, konden ook beroep doen op de weeskinderen. Het lijkt allemaal een beetje op kinderarbeid, maar toendertijd was het vrij normaal. De jongens zelf vonden het ook niet erg, sterker nog, ze zagen het als een grote eer. Op den duur leverde deze slimme oplossing steeds meer problemen op. De weeshuizen raakten steeds leger en vooral de 'potige knapen' raakten steeds meer in ondertal. Veel jongens kwamen om bij de bluswerkzaamheden. Daarbij kwam dat de jongens, als er geblust moest worden, er meestal half of dun gekleed bij liepen. Dit veroorzaakte veel ziekte. Het leidde er uiteindelijk toe dat vanaf 1921 geen gebruik meer gemaakt werd van het Weeshuis. 

Net als in het weeshuis werden bij allerlei instellingen brandspuiten geplaatst. Zo ook in de Oranjekazerne in Den Haag. Er ontstonden dus allerlei aparte eenheden die zich met het brandblussen gingen bezighouden. Omdat ook hier het premiesysteem werd ingevoerd (de spuitgasten die het eerst bij een brand aanwezig waren, kregen een premie) ontstonden er vreemde situaties. De verschillende groeperingen reden elkaar constant in de wielen en schroomden niet om elkaars slangen door te snijden om zo de premie binnen te slepen.

Om deze wantoestanden uit te bannen, besloot men al in de vorige eeuw om de zogenaamde geaffecteerden te vervangen door vrijwilligers. In tegenstelling tot de geaffecteerden kwamen deze vrijwilligers vooral uit de wat rijkere burgerij zoals middenstanders. Deze (rijkere) klasse had er natuurlijk flink baat bij dat de brandschade beperkt bleef: zij hadden iets te verliezen. Ook familieleden van commandanten raakten enthousiast voor de bluswerkzaamheden. De verhalen die zij van ooms of vaders hoorden, zorgden ervoor dat de familieleden stonden te springen om een vrijwilligerscompagnie op te zetten. Waar de geaffecteerden het blussen als een verplichting zagen en het eigenlijk alleen voor drinkgeld deden, streden de 'nieuwe vrijwilligers' vooral voor de eer. 

Voorloper op dit gebied was Haarlem. De stad schakelde zijn brandweerorganisatie om in een geheel vrijwillige brandweer die het bluswerk geheel 'pro deo' (dat wil zeggen zonder kosten voor het 'slachtoffer') verrichten. Het was zelfs zo, dat het materiaal voor een groot gedeelte uit eigen zak betaald werd. Na 1851 volgden meer gemeentes met het overgaan tot vrijwillige korpsen.

Toch bleek dat de vrijwilligers, hoe goed de bedoelingen ook waren, dit niet meer aan konden. Daarom besloot de Amsterdamse overheid in 1874 een kleine groep betaalde beroepsmensen in te stellen. De eerste beroepsbrandweer was een feit. Geaffecteerden en vrijwilligers werden naar huis gestuurd. De organisatie van beroepsbrandweer werd op een militaire manier aangepakt, met een strakke discipline. Commandant werd Steenkamp, een oud legerofficier. Hij rekruteerde vooral matrozen van de koopvaardij en oud-marine mensen. Voordeel van die keuze was dat deze mannen goed konden klimmen, niet bang voor water waren en gewend waren aan het lang van huis blijven. Dat was geen overbodige luxe als je naar de diensttijden kijkt die ze hadden: 5 maal 24 uur achteréén dienst. Ook geschoolde handwerkslieden, zoals schoenmakers en koetsiers kwamen in aanmerking om brandwacht te worden. De begintijd van de beroepsbrandweer was geen gemakkelijke tijd. De geaffecteerden en vrijwilligers die nu plotseling aan de kant gezet waren, koesterden zo nu en dan de nodige wraakgevoelens. Het gevolg van die gevoelens was, dat er vaak valse brandmeldingen binnen kwamen en af en toe bij het uitrukken wel eens wat naar het hoofden van de beroepsmensen werd geslingerd (een steen of paardevijg). Toch werd het langzamerhand wel duidelijk dat het optreden van de beroepsbrandweer zeer vakkundig was en de onderlinge strijd om de premies tot het verleden behoorde.

In navolging van Amsterdam gingen steeds meer grote steden over tot het aanstellen van een beroepsbrandweer. Den Haag volgde in 1889 en Groningen in 1910. Desondanks bestaat de brandweer tot op heden hoofdzakelijk uit vrijwilligers.

De brandweer groeide, net als de steden en het aantal inwoners, maar er is sprake van ongelijkheid binnen de organisaties. Er waren politieagenten als brandweerfunctionarissen, vrijwillige brandweerlieden, gemeentewerklieden als spuitgasten, plichtbrandweer, brandweer onder een verzekeringsmaatschappij en particuliere (bedrijfs)brandweren. Vrij onoverzichtelijk allemaal, waardoor de brandweercommandanten de behoefte kregen het brandweerwezen wat duidelijker en overzichtelijker te maken.

De commandant van Den Haag, C.F.H. Tuckermann en de commandant van Leiden, J.C. Stam waren de eersten die een stap in die richting deden. Zij richtten de 'Nederlandsche Brandweer Vereeniging ' op. Op 17 april 1917 vond de oprichtingsvergadering plaats en al snel werd er koninklijke goedkeuring aan de vereniging gegeven. De vereniging werd een overlegorgaan van brandweertechnici. Op dit moment bestaat deze vereniging nog steeds onder de naam 'K.N.B.V.' (Koninklijke Nederlandse Brandweer Vereniging), maar de leden zijn nu in plaats van brandweertechnici de regionale brandweren.

Stoommachines

Ook op het gebied van het materieel is er in de loop der tijd een hoop veranderd. Tot 1850 gebeurde er niet veel. De slangenbrandspuit werd wel verbeterd, maar de echte grote verandering kwam pas in 1866: de invoering van de stoomspuit.

In 1769 werd door James Watt de stoommachine uitgevonden. Dit luidde een nieuw tijdperk in: de 'industriële revolutie'. Ook de brandweerwereld sprong hierop in. In 1831 werd in Londen de eerste stoomspuit geproduceerd. Pas in 1866 namen Rotterdam en Amsterdam de stoomspuit in gebruik.

 

eerste stoomspuit

Maar wat was nu het grote voordeel van deze stoomspuit? Het belangrijke voordeel was dat de capaciteit veel groter was dan die van de handbrandspuit. Die handbrandspuit had 10 pompers, die samen gemiddeld 150 liter water per minuut verspoten met een druk van 2 tot 3 bar (eenheid van luchtdruk). Met de stoombrandspuit kon men 1500 liter water per minuut spuiten met een druk van bar. Met andere woorden: de stoombrandspuit kwam veel verder en hoger dan zijn voorganger. Bovendien waren er voor de bediening maar vier man nodig, die niet elk kwartier afgelost hoefden te worden.

In veel steden bleef de aanschaf van een stoombrandspuit nog lange tijd uit. Dit was puur een financiële kwestie; de overheid gaf in deze tijd amper geld aan het brandweerwezen uit. Vandaar dat de handpomp nog een lange tijd in dienst bleef. Daarnaast kampte de stoomspuit met wat 'kinderziektes'. Voordat het daadwerkelijke spuiten kon beginnen, moest er uiteraard eerst stoom gemaakt worden. Om de stoom te maken moest men eerst een vuurtje maken om de stookketel te verhitten. Dat leverde tijdverlies op. Al snel kreeg men door dat het slim was alvast wat hout in de stookketel klaar te leggen. Het hout werd op den duur vervangen door petroleum. Bij de beroepsbrandweerkorpsen hield met de stoomketels dag en nacht op een 'laag pitje', zodat de opwarmingstijd kort kon blijven.

Waar de oude handspuit werd vervoerd op een handwagen, was dat bij de stoomspuit niet te doen. De stoomspuit werd voortgetrokken door paarden. Uiteindelijk is ook het paard vervangen: de automobielspuit werd uitgevonden. Maar dat was pas veel later.

Het paard maakte dus zijn opmars bij de brandweer. Steeds meer materieel wordt 'rollend' gemaakt (van wielen voorzien) waardoor er steeds meer paarden nodig waren. Het takenpakket van de brandweerman breidde zich steeds meer uit. Behalve het onderhoud van de stoombrandspuit en ander materieel, moesten de paarden nu ook verzorgd worden. Het groeide de vrijwilligers en geaffecteerden allemaal een beetje boven de pet.

Steeds meer grote gemeentes besloten hierdoor om vaste mensen aan te stellen voor dit werk. Met andere woorden: de beroepsbrandweer werd geboren. Eén van de eerste beroeps-functies was die van brandwacht-koetsier. De koetsier was niet alleen belast met de verzorging van de paarden en het besturen van het voertuig, maar in geval van brand moest hij ook gewoon bluswerkzaamheden doen. Eenmaal bij een brand aangekomen, werd er iemand uit het publiek aangewezen om de paarden vast te houden. De mensen uit het publiek wilden dat graag doen: het leverde een beloning van drie kwartjes op en het beste plekje om naar de brand te kijken.

Het paard is altijd het 'troetelkindje' van de brandweer geweest. Ter illustratie: in Den Haag had de brandweer een paard in dienst dat 'Sjaantje' heette. 'Sjaantje' was een erg gemakkelijk, mak en volgzaam paard. Ze was alleen erg eenzaam op de kazerne en kon wel wat gezelschap gebruiken. En zo geschiedde. Er werd een bokje bij haar geplaatst en al snel zijn het vriendjes. Bok en paard bleven jaren onafscheidelijk, tot het overlijden van 'Sjaantje'. Tijdens het uitrukken (die dag waren er al 8 branden geweest en was er dus al 8 keer uitgerukt) stortte ze in elkaar en overleed. Het bokje was ontroostbaar.
 

De benzinemotor
Aan het tijdperk van de paarden als vervoersmiddel lijkt in 1910 een einde te komen. In sommige steden ging men over op autospuiten. Net als bij de overgang van de slangenbrandspuit naar de stoomspuit bleek ook op dit gebied het geld een grote rol te spelen. Vandaar dat het (goedkopere) gebruik van de paarden in vele steden nog niet voorbij is. Zo werden vaak wagens gekocht, die door paarden moesten worden getrokken, maar waarop een pomp was geplaatst, die aangedreven werd door een losse benzinemotor. Zo'n apparaat heette een motorspuit. Het is al wel zeer duidelijk dat de automobiel de toekomst heeft. Het principe van de autospuit is hetzelfde als die van de stoom- en motorspuit die door paarden getrokken werden, zij het dat het paard vervangen is door de automobiel. De stoomspuit heeft het uitgehouden tot 1948

 

autospuit

Sommige steden hebben echter nooit een motorspuit gehad. De brandweer ging steeds meer het waterleidingnet gebruiken voor het aftappen van water. In 1874 was men al begonnen met de aanleg van het waterleidingnet en het werd steeds omvangrijker. Bijna overal werden brandkranen in de straten aangebracht op 50 tot 100 meter van elkaar.

De auto- en motorspuiten konden nu hun water betrekken uit zowel de grachten en sloten als de brandkranen op het waterleidingnet. Door met de krachtige pompen het water extra druk te geven, kon ook gemakkelijker over langere en vooral hogere afstanden worden geblust. De gebouwen werden namelijk ook steeds hoger. Tot op de dag van vandaag is de autospuit - in een veel modernere vorm dan de eerste exemplaren - het belangrijkste stuk gereedschap van de brandweer.
 

Brandmelding en verbindingen
Ook op het gebied van alarmeren veranderde een hoop. Vroeger was er een torenwachter die in geval van brand de (nood)klok luidde of de klepperman die met zijn ratel door de stad ging. Tot aan het begin van deze eeuw ging het zo. Maar de communicatiemiddelen ontwikkelden zich en daarmee ook de alarmeringmiddelen. De telefoon werd uitgevonden. Een grote stap voorwaarts. In de begintijd van de telefoon hadden maar een paar mensen zo'n apparaat in huis. Openbare telefoons waren er nog niet. Brak er brand uit, dan kon men bij particulieren thuis de brandweer bellen. De te draaien nummers waren met affiches op straat terug te vinden. Er waren vaste adressen waar je voor zo'n telefoontje terecht kon.

In de grote steden vond men dit niet genoeg: er werd een 'brandweertelegraaf' aangelegd. Wat hield de 'brandweertelegraaf' in?

Er werden op verschillende plaatsen in de stad en in de belangrijke gebouwen openbare brandmelders neergezet. Deze brandmelders waren op hun beurt weer aangesloten op een telegraafkamer in een brandweerkazerne, meestal de hoofdkazerne. De brandmelder kon in werking worden gesteld door een ruitje in te slaan of aan een touwtje te trekken. Vervolgens werd er door de brandmelder een morseteken doorgeseind naar de (hoofd) brandweerkazerne. Elke locatie had zijn eigen nummer, dat ook uit de morsetekens op te maken viel. De brandwacht-telegrafist wist hierdoor meteen waar de brand was en waarschuwde de dichtstbijzijnde brandweerkazerne.

De brandmeldingen kwamen door dit telegraafsysteem veel sneller binnen. Er kleefde echter ook een nadeel aan: veel 'burgers' maakten, voor de lol, misbruik van de openbare brandmelders. Dit gebeurde zo vaak dat de Haagse brandweer een speurhond in dienst nam om de 'lolbroeken' op te sporen en te bestraffen. Helaas heeft de hond nooit een 'lolbroek' kunnen vinden. Het telegraafsysteem was dus zeer nuttig, maar alleen weggelegd voor de grote steden. De kosten waren te hoog voor de kleinere steden. Langzaamaan wordt het telegraafsysteem vervangen door de telefoon, die wel betaalbaar begon te worden voor iedereen.

 

brandmelder

 

De tweede wereldoorlog
Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen. Dit betekende voor Nederland het begin van de tweede wereldoorlog. Om vier uur 's ochtends werd Schiphol gebombardeerd door de Duitsers. De Amsterdamse brandweer rukte uit om te blussen, maar moest onderweg schuilen onder een viaduct omdat het bombardement nog in volle gang was. Toen het weer rustig was, reden de wagens door naar Schiphol. Het blussen kon beginnen. Ze waren nog maar nauwelijks bezig, of het volgende bombardement vond plaats. De eerste oorlogsdoden en –gewonden bij de brandweer vielen

 

 

 

bombardement schiphol

Ook de eerste materiële schade voor de brandweer valt te betreuren: in Rotterdam werd een Ahrens Fox (bluswagen) totaal verwoest en een aantal andere bluswagens zwaar beschadigd. Met kunst- en vliegwerk werden de beschadigde wagens weer opgelapt. Toen op 14 Mei weer een aanval werd ingezet, bleek dat toch wel de genadeklap. De Rotterdamse brandweer kreeg het het zwaarst. Rotterdam werd op 14 Mei, ten noorden van de Maas, zwaar getroffen. Vooral de voltreffer op de hoofdkazerne met alarmcentrale van de Rotterdamse brandweer maakte de blussers vleugellam. Een groot deel van het materieel was vernietigd of beschadigd en de brandweer had niet langer de beschikking over de voorraad blusgereedschap en dienstkleding. Ook de gehele brandweeradministratie ging in vlammen op. 

Een ander probleem was dat door de bombardementen de waterleidingen kapot waren. Omdat de brandspuiten daar hun water vandaan haalden, werd het blussen nog moeilijker. Aloude problemen staken daarom weer de kop op; het water voor de brandspuiten moest weer uit grachten en open water opgepompt worden, waardoor panden die uit de buurt van het water liggen hopeloos verloren waren. Gelukkig kreeg de brandweer van Rotterdam steun van alle korpsen uit de buurt. Zo hielpen onder andere Den Haag, Schiedam, Delft, Vlaardingen, Haarlem en Amsterdam heldhaftig mee. Dankzij deze hulp waren de ergste branden in twee dagen geblust. Vanaf 17 mei ging de brandweer van Rotterdam verder met eigen materieel. In afgebrande pakhuizen bleven de voorraden erwten en tabak nog maanden smeulen. 

De tweede stad die zwaar getroffen werd, was Middelburg. Ook hier leverde de brandweer een praktisch verloren strijd. De stad werd bestookt door de Duisters met granaten en al snel was Middelburg één grote vuurzee. 

Op 19 Mei waren alle gevechten voorbij. Nederland is bezet door de Duitsers en vanaf dat moment begon, voor zover mogelijk, het 'normale leven' weer op gang te komen. De Duitse aanval had wel aangetoond dat de brandweer de organisatie moest aanscherpen. Veel bedrijven gaan dan ook over op een 'bedrijfsbrandweer' en de hulpbrandweer wordt aanzienlijk uitgebreid. Die hulpbrandweer was aan het einde van de dertiger jaren opgericht en onderdeel van de Luchtbeschermingsorganisatie. De hulpbrandweerlieden bestond uit vrijwilligers, maar tijdens de bezettingsjaren bleven de meesten op een arbeidscontract 'voor de duur van de oorlog' verbonden aan de luchtbescherming. 

Vanaf 1941 werd geprobeerd om de Nederlandse brandweer om te vormen in het Duitse model. In 1942 werd er zelfs een rijksbrandweer gevormd. Het was de bedoeling om te komen tot een regiment Rijksbrandweerpolitie, waarvan de compagnieën verspreid zouden worden op de plaatsen, waar zij het meest nuttig werkzaam konden zijn. Volgens het Besluit Brandweerwezen van 12 december 1943 werd de brandweertaak een onderdeel van de politie en werden de gemeentelijke beroepsbrandweren van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem, Groningen, Eindhoven en Arnhem omgevormd tot een staatsbrandweerpolitie. Al het beroepsbrandweerpersoneel ging in staatsdienst over. In alle andere gemeenten bleven de brandweerkorpsen zelfstandig, zij het onder toezicht van de Rijksinspectie van het brandweerwezen. De gemeenten werden ondergebracht in kringen en de kerngemeente van zo'n kring was verplicht tot het geven van brandweerhulp aan andere gemeenten in de kring. De beroepsbrandweren konden hun personeelsbestand uitbereiden. Door de demobilisatie van het Nederlandse leger (het leger werd zo goed als opgeheven) kwamen er veel werkkrachten ter beschikking. In eerste instantie zag de Duitse bezetter het belang van een goed functionerende brandweer wel in.

Zoals alle overheidsdiensten zat de brandweer tijdens de Duitse bezetting in een lastig parket. Waar trek je de grens tussen burgerplicht en hand- en spandiensten verlenen aan de bezetter? Echt gemakkelijk is het niet geweest, maar in de gelederen van de brandweer waren praktisch geen pro-Duitsers of NSB-leden te vinden. Zowel in de leiding als de manschappen werden deze lieden nauwelijks de kans geboden door de sollicitatie-procedures te komen. Daarentegen waren veel verzetsmensen wel in dienst van de brandweerkorpsen. De brandweer was dus over het algemeen 'goed' in de oorlog. Logisch gevolg was dat de brandweer alles deed, wat in hun macht lag, om het verzet te helpen. Maar hoe doe je dat? Juist, door op de geschikte momenten niets te doen. Een voorbeeld: in Den Haag brak een grote brand uit in het gebouw waar de bevolkingsregisters opgeslagen lagen. De brandweer trad daar, volgens de Duitsers, laks op. Verhalen gaan dat de brandweer hun waterstralen (met opzet) dusdanig richtten dat er van effectief blussen geen sprake was. Veel van het bevolkingsregister ging verloren.

In de eerste maanden van de bezetting had de brandweer dus een toeloop van personeel, maar na verloop van tijd veranderde dat. Veel mannen werden naar Duitsland gestuurd om daar te gaan werken. Anderen doken onder. Voor de overgebleven brandweermensen betekent dat langere diensten: twee maal 24 uur dienst en éénmaal 24 uur vrij.

Eind 1944 begon het grote offensief van de geallieerde strijdkrachten. Het spreekt voor zich dat in deze periode het aantal branden talrijk was. Een belangrijk probleem dat zich voordeed, was het tekort aan benzine. Met behulp van de nodige kunstgrepen wist de brandweer de blus- en reddingstaken te blijven doen. Op 5 mei 1945 is het eindelijk zover: vrede! Het einde van een periode van grote geestelijke druk is voorbij.

Na de oorlog
In 1945 werden de brandweerzaken energiek aangepakt. Op 26 juli werd de Nederlandsche Vereeniging van Brandweer Commandanten (N.V.B.C.) opgericht. Men vond dat de oude Koninklijke Nederlandsche Brandweer Vereeniging in de oorlogstijd ter ziele was gegaan. Onder de Minister van Binnenlandse Zaken werd de in de oorlog opgerichte inspectie voor het brandweerwezen omgevormd tot een deskundig adviesorgaan op het gebied van de brandweer. De hechte samenwerking van de NVBC en de inspectie voor het brandweerwezen leidde ertoe dat bij de brandweren in ons land meer uniform gewerkt kon worden. In Amsterdam werd de Rijksbrandweerschool opgericht. De eerste cursisten kregen een speciale opleiding voor instructeur. De brandweer kon eindelijk weer gaan opbouwen.

De inspectie voor het brandweerwezen ging er goed tegenaan. In gemeenten waar nog geen brandweerkorps was, werd er direct een opgericht. Veel gemeentes werkten echter niet zomaar mee. De herinnering aan de Duitse bezetting zorgde voor veel tegenstand ten opzichte van overheidsbemoeienissen. Veel brandweertechnici maakten zich desondanks sterk voor een groter georganiseerd apparaat. Zij dachten aan een organisatie op rijksniveau. Het kwam er niet van. Op 23 juni 1952 werd na veel overleg de nieuwe brandweerwet van kracht, waarin de zorg voor de brandweer weer bij de gemeente werd gelegd. De KNBV werd de vertegenwoordiger van de gemeentebesturen, de NVBC van de brandweertechnici en de rijksinspectie adviseerde iedereen en waakte over de kwaliteit van de brandweer. In de tweede helft van de vijftiger jaren nam de brandweer een enorme sprong voorwaarts. De rijksinspectie organiseerde op grote schaal cursussen en opleidingen voor het behalen van diploma's. Men ging zich steeds meer toeleggen op instructie, cursussen en brandpreventie. Er werden regionale samenwerkingsverbanden opgericht voor de organisatie van de opleidingen, oefeningen en wedstrijden. De brandweer ging zich ook steeds meer toeleggen op het verlenen van hulp aan burgers in nood, en niet alleen het blussen van branden.

Door de industriële ontwikkelingen werd de brandweer voor nieuwe problemen geplaatst. Het vervaardigen van kunststofprodukten als nylon en plastic maakt een enorme ontwikkeling door. Het vervoer van gevaarlijke stoffen die nodig zijn om deze produkten te maken, nam steeds grotere vormen aan. De brandweer moest moderniseren om deze ontwikkelingen bij te kunnen houden. Er kwamen speciale deskundigen voor ongevallen met gevaarlijke stoffen, die later ook speciale auto's en meetapparatuur kregen. Voor de hulpverleningen bij grote ongevallen moest meer materieel aangeschaft worden en dankzij de ontwikkelingen in de radiotechniek werd het ook mogelijk om alle voertuigen uit te rusten met mobilofoons en portofoons. Voor de coordinatie daarvan bij een grote inzet moesten dan weer speciale verbindings/commandowagens komen. Om al die grote uitgaven voor de brandweer binnen de perken te houden, werden regionale brandweren opgericht, die zorgden voor de alarmcentrales, verbindingen en voertuigen die gezamenlijk gekocht werden, zodat het voor de kleinere gemeenten betaalbaar bleef. In 1985 werden die regionale brandweren erkent in de nieuwe Brandweerwet. Tegelijkertijd kwam er ook een Rampenwet, waarin de regionale brandweren de opdracht kregen om de grootschalige rampenbestrijding mogelijk te maken. Dat was nodig, omdat de oorlogs-hulporganisatie Bescherming Bevolking (BB) werd opgeheven. Die BB beschikte voor het geval de derde wereldoorlog zou uitbreken over grote voorraden hulpgoederen en geneeskundig materiaal. Dat ging nu allemaal over naar de brandweerregio's. De geneeskundige hulpverlening werd een taak van de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten. Kort geleden is begonnen met de reorganisatie van de geneeskundige hulpverlening, waarbij moderne inzichten in medische hulp een rol spelen.

Het hele stedelijke milieu veranderde. Er kwamen steeds hogere gebouwen, en het ontstaan van zogenaamde 'woonerven' en verkeersdrempels maakt het allemaal niet gemakkelijker. Daarnaast gaan er steeds meer mensen en goederen op weg in, boven, en binnenkort ook onder Nederland. Een scala van veranderingen waardoor steeds nieuwe eisen worden gesteld aan de brandweer, tot aan de dag van vandaag.

 


In Nederland heeft de brandweer ruim 26.000 man personeel. Dat is leuk om te weten, maar hoe staat dat nu in verhouding met het buitenland? Uit de volgende tabel kan je opmaken hoe andere Europese landen ervoor staan. Je kan ook zien hoeveel branden er gemiddeld in die landen zijn, hoeveel brandweervoertuigen ze hebben en het aantal inwoners.

Land

Inwoners

Kazernes

Blusvoertuigen

Personeel

Branden

Rusland

147.700.000

3.805

77.000

252.375

314.000

Duitsland

79.800.000

34.726

40.000

1.162.819

233.867

Engeland

57.566.000

2.053

2.889

60.430

431.604

Frankrijk

55.700.000

11.086

4.483

238.440

239.603

Italië

57.000.000

600

?

28.000

153.203

Roemenië

22.760.000

2.160

2.780

154.650

5.730

Nederland

15.000.000

1.082

1.590

26.238

40.095

Tsjechië

10.306.000

8.745

5.177

99.140

23.154

België

10.022.000

266

1.680

141.460

22.210

België

10.022.000

266

1.680

16.458

23.876

Griekenland

10.000.000

120

393

6.400

18.950

Zweden

8.500.000

827

1.893

23.000

39.745

Bulgarije

8.500.000

191

526

5.910

19.598

Oostenrijk

7.796.000

4.885

9.222

294.340

30.427

Zwitserland

6.750.000

2.800

2.400

210.500

19.600

Denemarken

5.130.000

279

385

6.700

17.589

Finland

4.975.000

865

?

19.895

14.982

Noorwegen

4.257.000

760

822

14.210

13.250

Ierland

3.500.000

214

440

3.160

13.250

Estland

1.500.000

200

641

4.130

2.819

Letland

2.590.000

333

320

67.319

4.200

Luxemburg

380.000

255

264

6.413

1.444

Als je de tabel goed bekijkt, kunnen je een paar dingen opvallen. Kijk bijvoorbeeld eens naar het personeel en het aantal branden. Roemenië heeft aan personeel 154.650 mensen. Het aantal branden in Roemenië was 5.730. Als je nu bijvoorbeeld kijkt naar Engeland, dan is dat heel anders. Ze hebben daar 60.430 mensen in dienst en er zijn jaarlijks 431.604 branden. Dat is natuurlijk een erg groot verschil. Maar verkijk je er niet op. In Roemenie hebben ze alleen maar beroepsbrandweer, en tellen ze ook de bedrijfsbrandweren van de uitgebreide olie-industrie mee. In de Engelse cijfers worden bedrijfsbrandweren niet meegeteld.

Andere cijfers
Loze meldingen: In de periode 1990 - 1996 is het aantal loze meldingen jaarlijks met bijna 9% gestegen tot bijna 42.000 in 1996. Die loze meldingen zijn erg lastig en kosten vooral veel geld. Daarnaast vinden de werkgevers van de vrijwilligers het ook steeds vervelender als hun werknemer (de vrijwilliger) telkens zijn werk voor niets neer moet leggen. Bel dus nooit voor de grap 1 - 1 -2 of je plaatselijke brandweer.

Hulpverlening: Voor het bevrijden van mensen die op een of andere manier bekneld zijn, het bevrijden van dieren, het reinigen van wegen (olievlekken enz.) en het verminderen van wateroverlast moet de brandweer de laatste jaren steeds vaker hulp bieden. Bij het verlenen van die hulp wordt de brandweer met doden en gewonden geconfronteerd. Het aantal doden bedraagt ruim 600 per jaar. Het aantal gewonden was in 1996 ongeveer 4.000.

Stijging van het aantal branden: Het aantal branden in gebouwen is in 1996 met bijna 15% (+1500) gestegen ten opzichte van de voorafgaande jaren.

De buitenbranden zijn ook toegenomen. Dat heeft te maken met het droge voorjaar van 1996. Er zijn verschillende oorzaken: brandstichting (+1900), vandalisme (+1500), spelen met vuur (+600), het verbranden van afval (+500) en onbekend (+2500).

Emancipatiebeleid: (dat wil zeggen: het beleid dat de brandweer voert om vrouwen een gelijke kans te geven om bij de brandweer te komen) Het aantal vrouwen bij de brandweer blijft toenemen. In 1996 zijn er 3 vrouwelijke beroepskrachten en 15 vrijwilligers bijgekomen. Eind 1996 was 2,7% van de beroepsbrandweer en 1,7% van de vrijwilligers vrouw.

Vrijwilligers: Het aantal vrijwilligers is in 1996 ongeveer gelijk gebleven. Dat zijn zo rond de 22.500 vrijwilligers.

 


Organisatie & opleidingen

Je kunt in het hoofdstuk 'De geschiedenis van de Brandweer' lezen wat de bluswerkzaamheden van de brandweer inhouden. Maar de brandweer doet meer. Wat precies, dat kan je in dit hoofdstuk lezen. Daarnaast vertellen we ook wat over de organisatie van de brandweer en iets over de opleiding die je moet volgen als je een brandweerman wilt worden De organisatie en taken van de brandweer zijn vastgelegd in de Brandweerwet van 1985. Daarin staat dat de brandweer een gemeentelijke taak is, maar dat de gemeenten met elkaar moeten samenwerken om 'regionale brandweren'. Die regionale brandweren nemen dan weer de taken voor hun rekening, die de gemeentelijke brandweren in hun eentje niet kunnen opknappen, zoals het runnen van een alarmcentrale, het kopen en onderhouden van bijzondere auto's en het organiseren van cursussen en grote oefeningen. Ook in de Wet Rampen en zware ongevallen van 1985 wordt de brandweer genoemd als de leidende operationele dienst bij rampen. Om zich goed voor te bereiden op die rol worden - vooral in regionaal verband - vele opleidingen en oefeningen gehouden. Ook het onderhouden van het waarschuwingsstelsel, de sirenes, behoort tot de taak van de regionale brandweer.

Niet alleen blussen
Het takenpakket van de brandweer bestaat uit meer dan alleen het blussen van branden. Als er een auto-ongeluk is gebeurd en er zitten mensen klem in hun auto, dan komt de brandweer om ze te bevrijden. De brandweer heeft daar speciaal gereedschap voor: grote scharen en klemmen. Daarmee kunnen ze bijvoorbeeld het dak van de auto afknippen of ingedeukte gedeelten van de auto weer uit elkaar duwen.

Duiken
De brandweer beschikt ook over speciaal opgeleide duikers. Niet elke brandweerman mag zomaar duiken: ze moeten eerst een opleiding van twee jaar daarvoor volgen. Als er nu een auto in het water terechtkomt, kunnen die duikers de mensen uit de auto halen.

Gevaarlijke stoffen
Veel vrachtwagens vervoeren gevaarlijke stoffen. Denk daarbij aan gas, benzine of andere chemicaliën. Als zo'n vrachtwagen een ongeluk krijgt, moet de brandweer die gevaarlijke stoffen weer opruimen. Dat kunnen ze natuurlijk niet in hun normale brandweerpak doen, daar hebben ze een speciaal pak voor nodig. Dat heet een chemicaliënpak of gaspak.

Dieren
Als dieren in de problemen zitten, komt de brandweer ook helpen. Een goed voorbeeld is koe die in een gierput is gevallen. De brandweer haalt de koe er weer uit. Maar ook andere dieren worden geholpen. Als er bijvoorbeeld een paard in het water is gevallen. Een paard is zo zwaar, dat je speciale takels nodig hebt om hem weer uit het water te tillen. De brandweer heeft die takels. Maar ook katten, die niet meer uit een boom durven, kunnen op de brandweer rekenen. Op deze manier zijn er nog veel meer dieren die door de brandweer gered worden.

Overstroming
De afgelopen jaren zijn er flink wat overstromingen geweest. De kelders van huizen, of soms zelfs de huizen zelf, stonden vaak helemaal onder water. De brandweer heeft hele krachtige waterpompen om dat water zo snel mogelijk weer weg te krijgen. Bovendien is de brandweer in staat om in heel korte tijd heel veel personeel op te trommelen.

Zoals je ziet: de brandweer doet veel meer dan alleen branden blussen!

Beroepsbrandweer
Je snapt waarschijnlijk wel dat er in de grote steden (Utrecht, Den Haag, Rotterdam of Amsterdam) veel meer gebeurt dan in de kleine steden of dorpen. Daarom heeft elke grote stad een zogenaamde beroepsbrandweer. Dat wil zeggen dat die mensen brandweerman-zijn als vak hebben. De beroepsmensen gaan 's ochtends naar de kazerne en wachten tot het alarm gaat. Beroepsmensen slapen ook gewoon in de brandweerkazerne. Ze draaien dan een zogenaamde 24-uur dienst: 24 uur op de kazerne aanwezig zijn. Ze doen allerlei werkzaamheden en oefeningen op de kazerne, en gaat het alarm af, dan rukken ze uit.

Vrijwilligers
Er zijn ook vrijwilligers. Maar vergis je niet: ook deze vrijwilligers hebben de zware en moeilijke opleiding tot brandweerman moeten volgen. Het verschil zit hem er alleen in dat vrijwilligers gewoon een andere baan hebben. Ze werken op kantoor, in een winkel of noem maar op. Het brandweerwerk is voor hen meer een hobby. Ze hebben een 'pieper' op zak. Gaat die pieper af, dan betekent dat alarm en moeten ze zo snel mogelijk naar de kazerne toe. Het is niet zo dat gehele korpsen uit beroeps of vrijwilligers bestaan. Het is vaak een combinatie. Je mag er wel vanuit gaat dat er verhoudingsgewijs bij een grotere stad meer beroepsmensen dan vrijwilligers bij de brandweer zitten.

Cijfers
Je vraagt je misschien af hoe die verhoudingen dan precies liggen. Er zijn in Nederland bij de gemeentelijke brandweren ongeveer 26.500 actieve brandbestrijders. Daarvan zijn er 4100 mensen beroepsbrandweer. De rest is vrijwilliger.

Vrouwen bij de brandweer
Vandaag de dag zijn er nog veel meer mannen dan vrouwen bij de brandweer. Op dit moment zijn er ongeveer 520 vrouwen. Hoe komt dat nou? In de eerste plaats is de brandweer altijd een beetje een mannenwereld geweest. Net als bij het leger en de politie vond iedereen dat alleen mannen dat soort zwaar werk konden doen. In de tweede plaats is de opleiding (en ook vooral de toelatingseis daarvoor) erg zwaar. Maar daarin is snel verandering aan het komen. De opleidingen zijn aangepast (dat kan je lezen in het stukje over opleidingen) en iedereen begint nu ook een beetje te begrijpen dat vrouwen evenveel kunnen als mannen. Misschien dat er nú nog niet zoveel vrouwen bij de brandweer zijn, maar dat verandert snel.

Opleidingen
Hoe kom je bij de brandweer? Voordat je aan een opleiding kunt beginnen moet je aan een aantal eisen voldoen. Allereerst je leeftijd. De beste leeftijd om te beginnen is tussen de 20 en de 30 jaar. Je lichamelijke conditie moet goed zijn. Het is een voordeel als je technische aanleg hebt of een studie in die richting (LTS, MTS, HTS) hebt gedaan.

Er bestaat ook een jeugdbrandweer. Hier kan je alvast meemaken wat het inhoudt om brandweerman te zijn. 

Hoe weet je of er plaats is?
Als je bij een vrijwillig korps wilt, moet je je aanmelden bij de brandweer bij jou in de buurt. Je kunt ook reageren op advertenties in de krant of in dagbladen.

De opleiding
Als je eenmaal goedgekeurd bent begint het pas echt. Brandweerman of -vrouw word je niet zomaar. Alles begint met de basisopleiding, die met een officieel rijksexamen wordt afgesloten. Je leert wat 'brand' eigenlijk is, welke blusmethode voor welke brand het meest geschikt is. Natuurlijk is dit soort theoretische kennis belangrijk, maar de cursussen blijven hoofdzakelijk praktijkgericht. Dat wil zeggen: vooral veel oefenen! Het belangrijkste is het functioneren in teamverband. Ook na het behalen van de basisopleiding blijft het regelmatig oefenen belangrijk. Je moet natuurlijk bijblijven op het gebied van de nieuwe ontwikkelingen.

Specialistische opleidingen
Na de basisopleidingen kent de brandweer, naast de verplichte delen, een aantal keuze-opleidingen voor specialisten. Daarbij kan je denken aan bijvoorbeeld chauffeur op de brandweerwagen of het bedienen van de pomp. Andere specialisaties zijn gaspakdragers, verbindingsfunctionarissen enzovoorts. Daarnaast kan elke brandweerman of -vrouw nog een opleiding volgen tot brandweerduiker. Die opleiding duurt gemiddeld zo'n twee jaar. Wie slaagt voor het examen krijgt het felbegeerde brevet 'brandweerduiker'. Heb je interesse, neem dan snel contact op met de plaatselijke brandweer.

 

Het Werk


 

Beroeps brandweer

Beroeps-brandweermensen hebben diensten. Dat betekent dat ze twee of drie dagen in de week een dag en een nacht op de brandweerkazerne zijn. De andere dagen hebben ze vrij. Als brandweermensen dienst hebben, zijn ze dus 24 uur achter elkaar aanwezig. Meestal vanaf 7.30 uur 's morgens tot de volgende ochtend 7.30 uur. Ze hebben daarom een eigen slaapkamer op de kazerne. Daar kunnen ze 's nachts slapen. Als er een alarm is, moeten ze opstaan om uit te rukken. Overdag zitten brandweermensen natuurlijk niet de hele dag te wachten totdat er een alarm komt. Als ze niet uitgerukt zijn, gaan ze leren hoe ze moeten blussen en redden en zo. En ze moeten het blijven oefenen, zodat het steeds beter en sneller gaat. Ze krijgen examens om te kijken of ze het goed genoeg doen. In de tijd die de brandweermensen overdag overhouden doen ze andere klusjes. Bijvoorbeeld auto's of kleren repareren. Of het gebruikte materiaal schoonmaken. 's Avonds zijn de brandweermensen vrij. Dan kunnen ze dingen doen die ze leuk vinden. Bijvoorbeeld televisie kijken of kaarten.

Vrijwilligers

De meeste brandweermensen zijn vrijwilligers. Zij hebben een gewone baan. Ze werken bijvoorbeeld in een winkel, op een kantoor of in de bouw. Ze worden opgepiept als ze naar de brandweer moeten komen. 's Nachts slapen ze gewoon thuis. Ze kunnen dan ook opgepiept worden. Een paar avonden in de week gaan ze naar de brandweer toe om te leren en te oefenen hoe ze branden moeten blussen, hoe ze mensen moeten redden uit verongelukte auto's en zo. Daar moeten ze ook examen in doen. Ze leren precies hetzelfde als de beroeps- brandweermensen en krijgen ook hetzelfde examen. Dat kost best veel tijd, maar dat maakt hen niets uit, omdat ze zo graag bij de brandweer werken.


Brand

Je krijgt niet zomaar brand. Voor brand zijn drie dingen nodig:

1. een brandbare stof, zoals hout of papier of stof 

2. het moet heet zijn (juiste temperatuur)

3. er moet zuurstof zijn. Zuurstof zit in de lucht

Pas als al deze drie dingen er zijn, ontstaat er brand.

 

 

brand driehoek

Hoe blust de brandweer

Om de brand te blussen haalt de brandweer één van de drie dingen die nodig zijn voor brand weg. Vaak doen ze dat door ervoor te zorgen dat de temperatuur naar beneden gaat. Daar gebruiken ze water voor. Ook wordt soms de brandende stof weggehaald. Bijvoorbeeld bij een schoorsteenbrand wordt het brandende roet weggehaald. Verder kan de brandweer de brand blussen door te zorgen dat er geen zuurstof meer bij de brand kan komen. Dan gaat de brand vanzelf uit.

Wat moet je doen bij brand

Als je een keer met brand te maken krijgt, moet je het volgende doen: 

  1. raak niet in paniek;

  2. ga naar buiten;

  3. doe ramen en deuren achter je dicht;

  4. waarschuw de andere mensen die in de buurt zijn

 


Brandweer Kleding

Branden blussen en helpen bij ongelukken is best gevaarlijk werk. Daarom hebben brandweermensen speciale kleren aan die hen beschermen. Bijvoorbeeld tegen de hitte van het vuur, of tegen scherpe voorwerpen, of tegen giftige rook. Bij speciale kleren moet je denken aan: 

  • een bluspak;
  • een helm;
  • laarzen;
  • handschoenen;
  • adembescherming.

Deze speciale kleren hebben ze ook aan bij het oefenen. Als brandweermensen met andere dingen bezig zijn, hebben ze meestal hun uitgaansuniform aan. Bijvoorbeeld als ze kantoorwerk doen.

Bluskleding

Als brandweermensen uitrukken, hebben ze een speciaal bluspak van onbrandbaar materiaal aan. Bij brand zorgt dat onbrandbaar materiaal ervoor dat de hitte wordt tegengehouden. Binnen in een brandend huis is het heel heet. Je kunt er niet blijven als je geen speciale kleren aanhebt. In een bluspak heb je minder snel last van de hitte. Daarom is zo'n pak nodig. Bij auto-ongelukken komt zo'n stevig pak ook van pas. De onbrandbare kleding zorgt er buiten voor dat de brandweermensen het niet snel koud krijgen. En dat ze beschermd worden tegen splinters en andere scherpe dingen. De helm is belangrijk. Hij zorgt ervoor dat het hoofd van brandweermensen beschermd is als er iets zwaars op komt. In een brandend huis kan van alles naar beneden vallen. Balken van het plafond bijvoorbeeld. Brandweermensen hebben ook speciale laarzen aan. De neuzen zijn stevig gemaakt met ijzer aan de binnenkant. Komt er iets zwaars op de laarzen, dan bezeren de brandweermensen hun tenen niet. De laarzen hebben een dikke zool. Daardoor maakt het brandweermensen niet uit of ze over puin moeten lopen. Dat doet geen pijn. Om hun handen te beschermen tegen hete of scherpe voorwerpen, hebben brandweermensen speciale handschoenen aan. Deze handschoenen zijn gemaakt van dik leer of ander onbrandbaar materiaal.

         
Blusjas Blusbroek Bluslaars Helm Handschoenen

Adembescherming

In een brandend huis is zo veel rook dat je niets kunt zien. Het is er pikzwart. Die rook is erg heet en giftig. Je longen kunnen er niet tegen als je die rook inademt. Je kunt er zelfs aan doodgaan. Daarom hebben brandweermensen verse lucht in een fles op hun rug. Die lucht wordt ademlucht genoemd. Door een slang gaat de ademlucht naar een masker dat de brandweermensen op hun gezicht hebben. Het masker zorgt ervoor dat ze geen rook inademen, alleen de lucht uit de fles. Een brandweerman kan ongeveer dertig minuten doen met de lucht in de fles. Dan is de lucht op en moet de fles verwisseld worden.

Uitgaanskleding

Natuurlijk zijn brandweermensen niet de hele dag aan het oefenen en uitrukken. Ze hebben daarom ook niet de hele dag hun uitrukuniform aan. Als ze andere dingen moeten doen, hebben brandweermensen een uitgaansuniform aan. Bijvoorbeeld als ze afspraken hebben met mensen van buiten de brandweer. Of als ze controleren in een schouwburg of circustent. Of bij plechtigheden, zoals recepties. Het uitgaansuniform bestaat uit:

  • een uniformjas;
  • een uniformbroek;
  • een uniformpet;
  • een wit of grijs overhemd;
  • een stropdas;
  • zwarte sokken en schoenen;
  • soms ook een overjas;
  • regenjas of jekker;
  • handschoenen en sjaal voor als het buiten koud en regenachtig is.

 

 Rangen

Bij de brandweer in Nederland heeft iedereen een rangonderscheiding. Op verschillende manieren is deze rang te herkennen. Door het aantal strepen op de helm kun je bij een inzet zien met wie je te maken hebt. Bij het uniform kun je aan de schouderepauletten zien wat voor rang iemand heeft.
OvD`s en HOvD`s zijn bij een inzet eventueel voorzien van een groen hesje waar duidelijk zichtbaar op de rug (H)OvD leesbaar is.

Hieronder volgen de rangen: